Puppybezoek
Drentsche Patrijshond
Duitse Herder
Shar-Pei
DRENTSCHE PATRIJSHOND - april 2003
Vandaag is het doel van het puppybezoek snel bereikt; Zaandam ligt niet aan het andere eind van de wereld (als je tenminste niet in Australië woont). Op 28 januari is bij Iris Swagerman – Beekman een nestje Drentsche Patrijshonden geboren, dat nu zes weken oud is. Vader Ned./Int. Kamp. Gaius Julius vanner Breeder Ae W99 en Kamp. Annelot Bieke v.h. Jagerslatijn, WK 2002 zorgden voor een vijftal bruinwit gevlekte hummeltjes, die hevig geïnteresseerd zijn in schoenveters; de vastgeknoopte veters worden losgetrokken, vastgeknoopt, weer losgetrokken, weer vastgeknoopt, wederom losgetrokken en tenslotte maar los gelaten. Niet vergeten straks bij het opstaan! Het ondernemende vijftal weet alle barricades te omzeilen om hun doel te bereiken: een lampenkap, een CD-rek, alles waar je aan kunt kluiven en dat is veel.
Het nest bestond aanvankelijk uit acht stuks, waarvan er drie niet levensvatbaar waren. Drie reutjes en twee teefjes bleven over. Moeder Annelot is tijdelijk overgeschreven op naam van haar fokker Jasper de Vos, omdat de kennelnaam “v.h .Jagerslatijn” door omstandigheden verloren dreigde te gaan. Iris is tijdelijk mede-eigenaar. Een teefje gaat naar de familie De Vos, het andere blijft bij Iris en was al voor de geboorte aangemeld voor de puppycursus; drie gezinnen staan al te popelen om de reutjes in ontvangst te nemen, maar zij moeten nog even geduld hebben. Wat Annelot betreft mogen zij met onmiddellijke ingang vertrekken; zij heeft er schoon genoeg van. Ze verblijft zoveel mogelijk in de tuin en werpt af en toe een blik door de terrasdeuren. “Jakkes” denkt ze wanneer ze het grut langs ziet rennen en verdwijnt weer snel uit zicht.
Annelot is niet de eerste Drent die huize Swagerman onveilig maakt. Reeds in 1988 had de familie een Drent, Toos van ’t Klein Laar. Anderhalf jaar later deed een zus van Toos, Jitske van ’t Klein Laar haar intrede. De Patrijzen waren onafscheidelijk. Om niet het risico te lopen zonder hond te komen werd er, toen de dames op leeftijd raakten, een nieuw pupje aangeschaft: Annelot. Eind 2000 zijn beide oudjes overleden, respectievelijk 13 en 15 jaar oud. Annelot kon de leegte opvullen. Dat ze in 2002 in Amsterdam Wereldkampioen zou worden had Iris nooit durven dromen. Annelot wordt niet voor de jacht gebruikt, vader Gaius wel.
De Drentsche Patrijshond is een oud ras van eigen bodem, passend in het Drentse landschap met ruw begroeide terreinen, heide en veel hoog gras. Veel percelen waren omgeven door hoge houtwallen. De bonte kleur deed de hond goed opvallen tijdens de jacht en de lange vacht vormde een goede bescherming in de doornstruiken. De percelen waren klein en de jager had geen behoefte aan een snelle hond. Hij zocht een rustige hond, die goed contact met hem hield en die goed verloren wild kon opsporen en apporteren. De Drent voldeed aan al deze eisen.
De Drentsche Patrijshond is nooit een hond van rijke en aanzienlijke mensen geweest. Drenthe was in het verleden een geïsoleerde arme provincie met schrale gronden en bescheiden economische activiteiten, die de bewoners tot een sobere levenswijze dwongen. De honden werden gebruikt voor de jacht op hazen, konijnen, fazanten, korhoenders en patrijzen en konden zo voor wat aanvulling zorgen op het karige menu van het gezin. Een veeleisende hond paste niet in deze levenswijze. Door de geïsoleerde ligging en het voortdurende geldgebrek hadden de boeren en jagers geen mogelijkheden om verre dekkingen te halen en kon het ras in nagenoeg zuivere vorm behouden blijven, zoals blijkt uit de foto uit 1873. Stambomen en erkenning van het ras waren niet van belang; er werd uitsluitend gefokt op bruikbaarheid en wat schoot een jager ermee op wanneer het ras erkend zou worden?
De negatieve gevoelens ten aanzien van de erkenning van het ras bleven onveranderd tot aan de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Duitse bezetting kwamen er allerlei gevoelens van nationale trots boven en was er opeens wel belangstelling voor de nationale rassen, die in die tijd een zieltogend bestaan leidden. De oorlog was uiteindelijk toch nog ergens goed voor.
De Baronesse Van Hardenbroek, die zeer belangrijk is geweest voor het behoud van diverse Nederlandse rassen, en de jager G.J. van Heek Jr. wisten de belangstelling van de Raad van Beheer te wekken en zij organiseerden op 18 april 1943 in Groningen een keuringsdag voor Drentsche Patrijshonden. Tevens werd in Rolde en veldwedstrijd gehouden. Onder toezicht van de afgevaardigden van de Raad van Beheer werden de aanwezige Drenten beoordeeld op hun uiterlijk en hun jachteigenschappen. Om in deze moeilijke periode voldoende eigenaren bereid te vinden naar Groningen te reizen werd een vergoeding van zes gulden in het vooruitzicht gesteld. Meer dan veertig eigenaars gaven gehoor aan de oproep, een onverwacht groot aantal. De meeste exposanten hadden nog nooit met een hond aan een riem gelopen en voerden hun hond mee aan een gerafeld stuk touw. Uiteindelijk werden zeven reuen en dertien teven als “Zeer Goed” beoordeeld en zij mochten aan de geregistreerde fokkerij gaan deelnemen, zij het dat enkele honden al te oud bleken voor de fok en verschillende anderen overleden aan een besmettelijke ziekte die zij op de keuringsdag opliepen.
De geregistreerde fok kwam dus moeizaam op gang. De beste reu van de keuring, Nimrod van Hendrik Schuiling Bzn was in de beginjaren een veel gebruikte dekreu. Hij bleek een uitstekende vererver. Men vermoedt dat hij meer dan 400 rechtstreekse nakomelingen had. Van de 240 honden die in 1951 in het Clubregister stonden ingeschreven stamden er 180 in eerste of tweede generatie van Nimrod af. Met de huidige inzichten in de populatiegenetica zou men iets dergelijks nu niet meer aandurven, maar Nimrod is van onschatbare waarde geweest voor de Drent en heeft zijn karaktereigenschappen en zijn jachtkwaliteiten stevig in het ras verankerd.
Nog altijd wordt hij gezien als het prototype van de Drentsche Patrijshond, zowel wat uiterlijk als wat jachteigenschappen betreft. De familie Schuiling had trouwens een goed oog voor kwaliteit, want zes van de zeven reuen die in 1943 werden goedgekeurd waren van hen afkomstig.In 1971 werd het stamboek door de Raad van Beheer gesloten.
De moderne Drent wordt niet alleen gewaardeerd om zijn kwaliteiten als jacht- en erfhond, maar is ook geliefd als huishond. Als erfhond zal hij aanslaan bij naderend bezoek, maar iedere vorm van agressie behoort hem vreemd te zijn. Volgens de standaard heeft hij een zacht karakter en parforce dressuur is bij hem uit den boze. Hij voldoet nog altijd uitstekend als jachthond voor diverse soorten wild en waterwerk, maar is daarnaast een prima gezinshond die het goed doet bij de GG-training, Agility en Flyball. In 1982 behaalde een Drent het felbegeerde AA-jachtdiploma; het was de teef Fenna van N. Debets, niet geheel toevallig de eigenaar van vader Gaius. In 1983 herhaalde de reu Boudewijn van J.ten Brinke dit huzarenstukje. Een AA-diploma kan uitsluitend worden behaald tijdens de jaarlijkse “Nimrod”proeven, het neusje van de zalm op jachtgebied. Een hond kan alleen op uitnodiging aan de Nimrod deelnemen en dat slechts een keer in zijn leven.
Het ras is niet wereldwijd verspreid. Alleen Luxemburg en Denemarken hebben een rasvereniging. In andere landen wonen wel Drenten, maar niet genoeg voor een eigen vereniging. In Nederland wonen naar schatting circa 4000 Drenten en lang niet meer alleen in de provincie waaraan zij hun naam ontlenen. In het jaar 2002 werden 490 Drenten ingeschreven in het Nederlands Honden Stamboek.
Ankie v.d.Berg-Hage
Documentatie:
De Nederlandse Rassen – Bas Bosch
Rasprofielen “Onze Hond” – 1985 – 1997

DUITSE HERDER - december 2001
U kent natuurlijk allemaal Commissaris Rex, de alleskunner op vier benen van de Oostenrijkse Televisie. De fraaie en intelligente Duitse Herder die mensen redt, explosieven opspoort, misdrijven voorkomt en oplost (maar ook worsten-broodjes steelt). Rex kruipt in tunnels en gangen, springt overal in, op , over en af, brengt de telefoon bij zijn baas, kortom Rex kan alles. In de jaren ’50 had je ook zo’n 'Commissaris Rex', alleen heette hij toen Rin Tin Tin. Ook Rin Tin Tin was een mensenredder bij uitstek voor wie geen zee te hoog ging. Rin Tin Tin was in zijn tijd even populair als Commissaris Rex nu. Het grote gevaar van zo’n immense populariteit is altijd dat mensen denken dat alle Duitse Herders kopieën zijn van hun filmhelden en dat hun pupje automatisch zal uitgroeien tot een wonderhond. Hondenkenners weten dat niets minder waar is, maar het overbrengen van die boodschap is geen sinecure. Broodfokkers zijn er als de kippen bij om dozijnen Rexjes of iets dat daar op lijkt aan de man te brengen. Ook rassen als de Schotse Herder (Lassie), de Dalmatische Hond (101 Dalmatians) en de Sint Bernard (Beethoven) werden in het verre of nabije verleden getroffen door een niet te stelpen vraag naar pups na het verschijnen van een film. De TV serie “ Boomer” zorgde voor een hausse aan ruwharige bastaards. Hoewel we inmiddels zo’n twintig jaar verder zijn worden er nog elke zaterdag in de krant 'Boomers' aangeboden. Filmhonden doen de kassa rinkelen!
Dat het ongebreideld fokken van een populair ras grote nadelen met zich meebrengt zal een ieder duidelijk zijn. De kwaliteit van de honden holt achteruit en de problemen stapelen zich op. Liefhebbers van Duitse Herders kunnen hiervan meepraten. Zoals Lassie de Schotse Herder bijna te gronde richtte, deed Rin Tin Tin dat met zijn ras.
De Duitse Herder is wereldwijd het meest voorkomende hondenras. De
'Verein für Deutsche Schäferhunde' (VDH), gesticht op 22 april 1899, telt meer dan 100.000 leden en heeft een hoofdkantoor met meer dan 70 man personeel. De “vader” van het ras was de Duitser Rittmeister Max von Stephanitz. Zijn reu “Horand von Grafrath”, geboren op 1-1-1895, werd als eerste herder in de Duitse geschiedenis geregistreerd onder nummer SZ 1. Von Stephanitz, die op zoek was naar de ideale Duitse Herder, publiceerde de grootste rasmonografie aller tijden, “ Der Deutsche Schäferhund in Wort und Bild” en somde daarin de zo zeer gewenste eigenschappen op: trouw, betrouwbaar, dienstbaar, standvastig, moedig. Zijn fysieke gesteldheid (anatomie, functionaliteit, uithoudingsvermogen) evenals zijn psychische gesteldheid (gedrag en karaktereigenschappen) in combinatie met een uitstekende gezondheid zouden moeten zorgen voor een optimale gebruikshond naar “geest en lichaam”. Bij Von Stephanitz was geen plaats voor zwakke neuroten.
De Duitse Herder was van oorsprong een hond die bij de kudde werkte. Naast het hoeden moest hij soms ook de kudde verdedigen of het erf bewaken. In Duitsland zijn de afstanden groot en een kudde kon wel uit 600 dieren bestaan. De Duitse Herder moest dus een onvermoeibare draver zijn, anders kon hij zijn werk niet doen. Voor slecht werkende honden was bij de boeren geen plaats. Het leven op het platteland was sober en een hond moest letterlijk zijn waarde bewijzen.
De idealen van Von Stephanitz zijn in grote lijnen onveranderd gebleven. Men zoekt bij de Duitse Herder nog altijd naar gezonde, goedgebouwde, stand-vastige honden, die onvermoeibaar zijn en graag willen werken. In de tijd van Rin Tin Tin was er van deze idealen weinig over. Doordat er veelal zo slecht gefokt werd kreeg de Duitse Herder een slechte naam. Ook in latere tijden, toen de sterk aflopende ruglijn in de mode kwam, had het ras het moeilijk. Van het ideaalbeeld van de Rittmeister was weinig over en ook de karakters lieten te wensen over.
Gelukkig is men van deze extreme vormen teruggekomen en is men er van doordrongen dat een goed werkende hond goed gebouwd moet zijn en dat neurotische honden het ras in een kwaad daglicht stellen. Mensen op straat zijn vaak wat huiverig voor een Duitse Herder (“mama daar loopt een wolf”). Om heden ten dage met toestemming van de VDH te mogen fokken moeten de fokdieren aan een scala van eisen voldoen (o.a. exterieurkeuring, HD-uitslag, onbevangenheidstest, fokgeschiktheidskeuring). Agressieve herders zouden dus niet meer mogen voorkomen, maar helaas wordt lang niet elke hond via de rasvereniging gefokt.
De VDH besteedt veel aandacht aan gezondheid en vitaliteit. Ter bestrijding van HD is wereldwijd een fokwaarde-schattingsprogramma opgesteld. De vereniging vervult hiermee een voortrekkersrol. Ter verbreding van de fokbasis zal er niet worden geselecteerd op een bepaald kleurpatroon, maar op verschillende rasvertegenwoordigers die passen binnen het algemene kader van de standaard, waarbij meerdere stamlijnen beschikbaar zijn voor de fokkers.
Ook binnen onze vereniging is de Duitse Herder vertegenwoordigd. Marieke Hollander en haar echtgenoot Marco uit Purmerend zijn de trotse bezitters van een nest pups, dat uit vier heren en drie dames bestaat. Ze zijn geboren op 6 oktober; de vader van het nest is Tico Oet de Poeterië (VH III / IPO III) en de moeder is de wolfsgrauwe Laika v. Zunderland (VH1 – VZH – UV). De VH- en IPO-programma’s bestaan uit speuren, pakwerk en appel, VZH (Verkeerszekere Hond) omvat basisappel alsmede appel in de stad. VH is alleen voor Duitse Herders, IPO voor alle rassen en –kruisingen die hiervoor geschikt zijn.
Vijf pupjes zijn wolfsgrauw en de resterende twee zijn pikzwart. Marieke bezit ook nog een halfbroer van Laika, Mike v. Zunderland, zes katten, waarvan vijf perzen en twee grijze roodstaart papegaaien. Aangezien ze ook nog een trimsalon heeft hoeft Marieke zich niet te vervelen.
Een wolfsgrauwe en een zwarte hondendame zullen bij hun moeder blijven wonen, een hondje gaat naar de eigenaar van de vaderhond en de overigen zijn verkocht aan gezinnen die al eerder een Duitse Herder hebben gehad. Hoewel het al eind november is, zijn de pups het liefst buiten waar ze alle ruimte hebben om hun rangordegevechten uit te voeren. Eenmaal binnen vertoeven ze het liefst in de bijkeuken waar het koeler is dan in de rest van het huis. Het is overigens opvallend te zien hoe hondenliefhebbers vaak hun hele huis verbouwen wanneer er een nest op komst is en blijven verbouwen al naar gelang de dadendrang van het grut toeneemt. Het gezin van de fokker neemt tijdelijk genoegen met een minimale ruimte voor zichzelf om het hondengezin alle mogelijkheden te bieden.
Vijf van de zes katten moeten niets van het hondengespuis hebben en bivakkeren permanent op de bovenverdieping; alleen een jonge schildpadpers vindt mens en hond wel gezellig en slaat graag haar nagels in alles wat zich op een van de zitbanken neervlijt. Ook Mike mag graag van de zitbanken gebruik maken. Met een “kijk mij eens gevaarlijk zijn” geeft hij de bezoekers een grote lik, leunt met zijn volle gewicht tegen hen aan en duwt hen bijna van de bank af. De pups vindt hij maar niets; als hij uit de kennel wordt gehaald springt hij met grote bokkensprongen door de wriemelende kluwen heen. Snel naar binnen en snel op de bank. Mike languit op de ene bank en Laika op de andere. Mensen kunnen tenslotte ook op de grond zitten.
Als de pups 12 weken oud zijn gaat Marco beginnen met het speuren aan te leren. Hij is degene die met de honden traint en de diploma’s haalt. Showen doen Marieke en Marco niet zo graag, werken vinden ze veel leuker. Boven-dien is de wolfsgrauwe kleur in de showring niet zo erg populair, de voorkeur gaat uit naar gele honden met een zwart dek, zeg maar Commissaris Rex.
De moderne Duitse Herder is op vele terreinen inzetbaar: bij allerhande politie- en douanetaken, als speur-, reddings- en lawinehond, als erf- en terrein-bewaker, maar ook bij GG, behendigheid en flyball. En natuurlijk als gezinshond, hoewel het altijd jammer is als er met een werkhond pur sang niets gedaan wordt. Voor zijn oorspronkelijke taak als veehoeder wordt hij niet veel meer gebruikt.
Op de terugweg naar Zaanstad beland ik abusievelijk op de A7 in plaats van de Provincialeweg richting Alkmaar. De A7 is al wekenlang het toneel van graaf- en spitmachines en alle afritten tussen Purmerend en de A8 zijn afgesloten. Ingeklemd tussen betonnen wanden vraag je je vertwijfeld af of je op een bobsleebaan verzeild bent geraakt.
Niet aan te bevelen voor mensen met claustrofobische neigingen, maar claustrofobie patiënten gaan vast niet bobsleeën (ondergetekende trouwens ook niet).
Ankie v.d.Berg-Hage

SHAR-PEI - september 2001
Op een snikhete middag vertrok het puppyreportageteam naar de Westzanerdijk in Zaandam, alwaar Guda en Willem Smet in hun kennel Van La Diga een nestje Shar-Pei pups hadden. Een ritje van pakweg een kwartier zou je zeggen, waar we nu toch vlot een uur voor nodig hadden (Provinciale weg opgebroken – terug naar de snelweg – file op de Wandelweg – heb jij een emmer ijsblokjes bij je? -Zaanbrug open voor een sliert plezierboten - een sorbet zou niet gek zijn – Den Uylbrug open voor zo te zien dezelfde sliert - ik zou best een tijdje in een ijskast willen zitten). Op grote reclameborden wordt aangekondigd dat de wintergidsen verschenen zijn. Ja, ik kan niet wachten om mijn wantjes en mijn oorwarmers uit de kast te halen!
Uiteindelijk bereikten we dan toch onze bestemming, alwaar drie heren en twee dames in hun rimpeljasjes de boel onveilig maakten. De heren Ben, Spycky, Bono en de dames Chyna Ming en Shinoek zijn acht weken oud en geboren uit de combinatie Ming Shu v.d. Hestokamp en Sion v. Hadimassa. Ming Shu is door haar kinderen geheel kaalgeplukt en ziet er absoluut niet uit. Maar dat komt weer helemaal goed, verzekert Guda ons. Dat hopen we dan maar.
De Shar-Pei is een Chinees ras, alhoewel het door de Amerikanen van de ondergang is gered en ook in dit land is gemaakt tot wat het nu is. Een ras van meer dan 2000 jaar oud, dat volgens de rasstandaard afkomstig is uit de plaats Dah-Let in de Zuid-Chinese provincie Kwung Tung. De Shar-Pei werd oorspronkelijk gebruikt voor de bewaking, de jacht (het opjagen van wild) en later ook in de vechtsport. Door de eeuwen heen kende het ras veel tegenslagen, hetgeen liefhebber en fokker Matgo Law uit Hong Kong in 1973 ertoe aanzette een noodkreet te plaatsen in het Amerikaanse blad “ Dogs” . Er waren op dat moment nog maar heel weinig Shar-Peis over.
In de jaren 50 zwaaide de Chinese Communistische Partij de scepter; er heerste een extreem voedseltekort in het land en op last van de regering moesten alle honden, katten, vogels en knaagdieren worden uitgeroeid. Draconische maatregelen, maar uit humanitair oogpunt kennelijk noodzakelijk. Alleen de honden die tijdig naar Brits Hong Kong waren overgebracht overleefden deze periode. Matgo Law vreesde, met de overdracht van de Britse kroonkolonie aan China op komst, dat de toestanden uit de jaren 50 zich zouden herhalen en greep met genoemde publicatie de laatste strohalm. Het ras was gedecimeerd door hondengevechten – waarbij Shar-Peis met allerlei soorten vechthonden werden gekruist – en vanwege het feit dat de Chinese burger een hondenboutje in het geheel niet versmaadt! De Chinese autoriteiten achtten het houden van honden decadent en beschouwden dit als een niet te tolereren luxe.
Het bewuste artikel leverde veel reacties op en de door Matgo Law verzamelde honden, die zoveel mogelijk leken op het oorspronkelijke rastype, vonden hun weg naar De Verenigde Staten alwaar men met de wederopbouw begon. Door het geringe aantal viel er aan inteelt niet te ontkomen.
Een geluk bij een ongeluk was het feit dat door de barre omstandigheden in China alleen de gezondste en intelligentste dieren hadden kunnen overleven. In 1986 telde het Shar-Pei bestand alweer zo’n 6000 exemplaren. Op dit moment zijn er alleen in de VS naar schatting enkele tienduizenden. De missie van Matgo Law is dus geslaagd. Vanuit de VS zijn er weer honden terug-gebracht naar China, alhoewel dat nog altijd geen ideaal hondenland is. De meeste hondenbezitters wonen nog altijd in Hong Kong. In 1979 deed het ras zijn intrede in Nederland.
Wie voor het eerst een jonge Shar-Pei ziet wrijft zijn ogen uit. Zit er nog een hond onder al die rimpels? Als pup heeft de Shar-Pei inderdaad een ontzettende berg rimpels. Met het ouder worden verdwijnen die voor een groot deel. De hond groeit als het ware in zijn jas. Tot voor enkele jaren zag men ook graag bij de volwassen hond een flinke verzameling rimpels, maar daar is men gaandeweg van teruggekomen. De rimpels leverden in de praktijk de nodige (huid- en oog)problemen op. De meeste Shar-Peis hebben thans alleen nog een aantal rimpels rond het hoofd, bij de schoft en soms bij de staart. De tong is blauwzwart, waarschijnlijk een erfenis van kruisingen met de Chow Chow. Er zijn twee vachttypen: de zeer korte, harde “ horsecoat” en de iets langere en iets zachtere “ brushcoat”. Er zijn ook twee mondvormen. De normale “bonemouth” en de wat dikkere “meatmouth”. Het laatste type heeft tamelijk dikke lippen. De Shar-Pei heeft een enkele vacht en ziet er in de verhaarperiode dus al snel tamelijk kaal uit. Net als Ming Shu nu dus. Het is een hond die snel zindelijk is.
De vijf rimpeljasjes van Guda en Willem zijn nu in de periode dat ze gesocialiseerd moeten worden. Socialisatie is voor elke hond belangrijk, maar voor een Shar-Pei zo mogelijk nog belangrijker. Het ras neigt naar eenkennigheid en heeft ook nog wel eens de neiging tamelijk stoer te zijn. Opvoeden is geen sinecure. Als een Shar-Pei tweemaal een bevel heeft opgevolgd, gaat hij de derde keer meestal met zijn rug naar de baas toe zitten ten teken dat hij van mening is, dat hij voorlopig wel weer genoeg gehoorzaam is geweest. Guda is volop bezig de pups zoveel mogelijk te laten meemaken. De bezoekende King Charles Spaniels komen dan ook goed van pas, al hoewel de ene na enkele vinnige uitvallen, waar moeder Ming Shu niet blij mee is, al snel achter het puppyrek verdwijnt en de andere niet weet waar hij kruipen moet om die enge dingen te ontwijken. De Jongehondendag van onze KC kwam als geroepen. Drie toekomstige eigenaren werden gesommeerd om met hun a.s. pup een dagje op ons veld te komen vertoeven en de kleine
’s avonds weer in te leveren; de andere twee gaan in de fietskar een avondje mee naar de training en naar de kantine.
Kinderen die voor een collecte aan de deur komen worden dadelijk ingerekend en tussen de pups geplant. (Guda staat nu in de hele buurt bekend als kinderlokker, net als ondergetekende destijds die bij gebrek aan eigen kinderen ook jeugdige collectanten van de deur plukte).
Als de zon onder gaat en het niet meer zo heet is gaan ze naar buiten tussen de volwassen Shar-Peis en de vier Mastino’s, die ook deel uitmaken van de menagerie van huize Smet.
Het teefje Chyna Ming zal in haar geboortehuis blijven en Shinoek verhuist naar zoon en schoondochter.
Guda en Willem zijn in het verleden begonnen met Bouviers en zijn later overgestapt op de Mastino Napoletano. De Mastino staat in Nederland niet in en goed daglicht, maar de honden van Guda zijn zeer vriendelijk en zeer sociaal. Ook hier is zeer veel tijd in gestoken. Mastino – kunstmoeder Bella heeft zich intensief met de kleine Shar-Peis bemoeid.
De komst van de Shar-Pei berustte destijds op louter toeval. Guda nam de zorg voor een nestje over van een bevriende Mastino- en Shar-Pei fokster, die verschillende nesten had liggen en door ziekte in de problemen was gekomen. Voor de Shar-Pei was het toen veni –vidi –vici. Hij kwam, zag en overwon en ging dus nooit meer weg.
De terugweg neemt welgeteld twaalf minuten in beslag, Een iets handiger route zonder Zaanbruggen en zonder in de grond wroetende bouwvakkers.
Ankie v.d.Berg-Hage
Janny van Hoven
