Over gezondheid en ziekte
Babesiose nu ook in Nederland
Coprofagie (eten ontlasting)
Epilepsie
Feiten en fabels over voeding - Deel 1
Knieproblemen
MDR - Multi-Drug-Resistence
Problemen met de endeldarm
Trammelant tijdens de feestdagen
Wagenziekte
Gevaarlijke Babesioses nu ook in Nederland
- Feiten:
- Bij zeker 10 honden is sinds maart 2004 in Nederland de ziekte Babesiose vastgesteld; deze honden woonden in de regio’s Den Haag en Arnhem; minimaal 3 honden zijn overleden. De honden waren niet in het buitenland geweest.
- De teek Dermacentor Reticulatus, die verantwoordelijk is voor de overdracht van de ziekte is dus waarschijnlijk nu ook in Nederland aanwezig. Bij een beet kan de ziekte Babesia Canis overgebracht worden.
- Behandeling is in principe mogelijk; de desbetreffende medicijnen zijn uit voorraad verkrijgbaar. Vaccinatie is ook mogelijk. Volgens de fabrikant is er voldoende vaccin beschikbaar.
- Feiten over de ziekte:
- De incubatietijd bedraagt 1 dag tot 2 weken.
- Besmetting vindt plaats door een beet van de teek Dermacentor Reticulatus of Rhipicephalus Sanguineus.
- De symptomen variëren, afhankelijk van de vorm van de ziekte van peracuut tot chronisch.
- Peracuut: vooral bij jonge pups; deze worden heel ziek, hebben een ernstige vorm van bloedarmoede, donkerbruine urine gevolgd door zenuwsymptomen en uiteindelijk een shock. Ze overlijden doorgaans na 1 tot 2 dagen. Er is geen koorts aanwezig, eerder ondertemperatuur.
- Acuut: bij dieren die nooit eerder besmet zijn geweest ( een Nederlandse hond op vakantie in het buitenland of een hond die in Nederland voor het eerst besmet wordt), na enkele dagen van slecht eten en sloomheid volgen koorts, braken bloedarmoede; soms roodbruine urine en geelzucht.
- Chronisch: vooral in streken waar ziekte regelmatig voorkomt en waar de dieren dus enige afweer hebben opgebouwd; vage klachten als wisselende eetlust, soms koorts, vermageren en lichte bloedarmoede.
- Subklinisch: na infectie met een minder agressieve vorm of na herstel van de acute vorm kan de hond drager blijven van de parasiet; gedurende ca. 2 of meer jaren kan bij een verminderde afweer opnieuw een milde vorm van de ziekte ontstaan.
- Diagnose:
- Aan de hand van de symptomen, via het aantonen van de parasiet in verse bloeduitstrijkjes of door middel van het aantonen van antistoffen in het bloed; dit laatste kan alleen binnen 1 – 3 weken na de besmetting.
- Behandeling:
- Er zijn effectieve geneesmiddelen, maar deze zijn nog niet officieel geregistreerd voor gebruik bij de hond; soms zijn er bijwerkingen en men moet oppassen voor overdosering. Soms worden niet alle parasieten gedood.
- Preventie:
- Zorg dat uw hond niet gebeten wordt door een teek. Het gebruik van Frontline spray en tekenbanden kan dit tegengaan.
Bron: Dierenkliniek Ermelo
www.dierenkliniek-ermelo.nl

FEITEN EN FABELS OVER VOEDING - DEEL 1
Inleiding
In de huidige tijd komt er steeds meer belangstelling voor de voeding van mens en dier. Een Grieks wijsgeer, Hippocrates, zei 2500 jaar geleden al: "laat voeding uw eerste medicijn zijn". Het probleem wat zich nu voordoet is dat het moeilijk is om aan algemene kennis te komen over de voeding van de hond. Internet kan soms helpen maar daar lijken ook meer fabels dan feiten te huizen. Daarom nu in een aantal artikelen informatie over de voeding van de hond. In de tekst zal verder uitgegaan worden van de voeding van de hond tenzij anders vermeld.
Waarvoor dient voeding?
De voeding dient in de eerste plaats de energie te leveren die een hond nodig heeft om te kunnen functioneren. De westerse hond leeft bij een omgevingstemperatuur die lager is dan zijn eigen lichaamstemperatuur dus het dier zal er voor moeten zorgen niet af te koelen. Daarnaast is energie nodig voor allerlei stofwisselingprocessen en activiteit.
Een 2e belangrijke functie van de voeding is het aanleveren van alle benodigde voedingsstoffen. Het dier moet vele stoffen maken zoals weefselcomponenten, enzymen, hormonen, etcetera. Voor sommige bouwstenen is de hond volledig afhankelijk van de voeding omdat het dier niet in staat is deze zelf te maken. Indien een stof via de voeding voorzien MOET worden spreken we van een "essentiële voedingsstof".
Rasgebonden verschillen
De behoefte van een hond aan energie en voedingsstoffen is geheel afhankelijk van de omstandigheden. Hierbij valt te denken aan omgevingsfactoren (temperatuur), fysiologische factoren (groei, dracht, werk) en aan rasgebonden factoren.Omgevingsfactoren en fysiologische factoren zijn gemakkelijk voor te stellen en ook bij de mens gekend. Maar rasgebonden factoren zijn natuurlijk meer bijzonder. Zo is bij de Dalmatische hond de fysiologie van de urinewegen wat anders dan bij andere rassen zodat urinewegproblemen hier eerder op kunnen treden. Bij de Bedlington Terrier weten we dat er een kans bestaat dat de koperstofwisseling niet goed functioneert. De Engelse Cocker en de Shar-Pei kunnen moeite hebben met hun vitamine A voorziening en enkele rassen waaronder de Siberische Husky, kunnen problemen hebben met de opname van zink uit de darm.
Al deze bovengenoemde aandoeningen kunnen leiden tot problemen met een orgaan of algehele malaise voor het dier. Indien deze zaken bekend zijn en het werkingsmechanisme van de aandoening wordt door de wetenschap ontrafeld dan kan een aangepaste voeding helpen. Daar tegenover staat dat bij onvoldoende kennis en / of onjuiste voeding problemen opgewekt kunnen worden.
Heeft een dergelijke aandoening een erfelijke achtergrond dan is het natuurlijk zaak om de verspreiding binnen het ras zo nauwkeurig mogelijk in beeld te brengen en vervolgens met foktechnische maatregelen de aandoening uit te bannen.
Dit waren enkele voorbeelden van voedingsgerelateerde aandoeningen ten gevolge van een afwijking binnen een ras. Een ander gekend rasverschil is dat een Labrador van 40 kilogram met dezelfde activiteit als een Duitse Herder van 40 kilogram 12% minder kan eten en toch keurig in conditie blijft. Hier zien we dus een rasverschil inzake efficiëntie van vertering en / of stofwisseling. Dit verklaart tevens het feit dat de zogenaamde algemene voertabellen afwijkingen kunnen vertonen bij individuele honden.
Ondervoorziening
Bij een onjuist voerbeleid kan een dier in een tekortsituatie worden gebracht.
Betreft het een tekort aan energie dan zal de hond teruggrijpen op zijn eigen lichaamsreserves en eerst de vetreserves aanspreken alvorens de eiwitreserves te gaan verbranden. Uitwendig zal de eigenaar na verloop van tijd als eerste vermagering opvallen.
Tekorten aan voedingsstoffen zijn soms zichtbaar. Een bekend voorbeeld hiervan is het tekort aan foliumzuur ten tijde van de dracht. De kans op nakomelingen met een gespleten gehemelte is dan levensgroot aanwezig.
Het is tevens een mooi voorbeeld van de verstoorde balans tussen aanbod en behoefte. U kunt zich voortstellen dat de behoefte van een drachtige teef met in de baarmoeder tien pups heel anders kan zijn dan de behoefte van een teef met maar twee pups in de baarmoeder.
Het meest gevaarlijk is de situatie waarbij een ondervoorziening optreedt waarvan de gevolgen niet direct zichtbaar zijn maar die pas later in alle ernst duidelijk worden. Zeker als dit in de éénmalige aanlegfase van organen en structuren gebeurt.
Uit de voedingsleer bij de mens is bekend dat kinderen die in hun jeugd onvolledig gevoed zijn geworden dat deze in het volwassen levensstadium hier gevolgen van kunnen ondervinden. Te denken valt hierbij aan slechte gebitten en gewrichten op oudere leeftijd bij de mensen die bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog hun jeugd gedwongen in kampen moesten doorbrengen.
Het grootste probleem is hierbij dat sommige lichaamsstructuren (zenuwstelsel, kraakbeen, gebitselementen) maar één keer aangelegd kunnen worden en in het latere leven niet meer "gerepareerd" kunnen worden. Daarom zijn aandoeningen van het zenuwstelsel, kraakbeen en gebit ook vaak zo definitief en ernstig.
Overvoorziening
Ook hier schuilen behoorlijk wat risico's waar zeker geldt dat eigenaren zich niet voldoende rekenschap geven van de mogelijke gevolgen.
De aanwezigheid van de vele dieren met overgewicht in Nederland laat al zien dat veel honden een overmaat aan energie krijgen. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van het dier. Met name bij de kat zien we dan nu ook het aantal gevallen van suikerziekte al toenemen.
Een veel gehoorde uitspraak is: "baat het niet dan schaadt het niet".
Dit hoor ik eigenaren regelmatig zeggen over het gebruik van vitamine C.
Vitamine C heeft verzurende eigenschappen en veel vitamine C werkt dan ook verzurend op het lichaam en de lichaamsvloeistoffen.Een overmaat vitamine C wordt via de urine uitgescheiden, dit is een feit. Het is een fabel dat overmaat vitamine C niet schadelijk kan zijn. Gezien de eerder genoemde verzuring kan het wel degelijk gevolgen hebben. Daarnaast verstoort vitamine C bij groeiende honden het wankele evenwicht tussen botopbouw en botafbraak, nodig voor een goede skeletontwikkeling.Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een overmaat vitamine C het optreden van skeletafwijkingen tijdens de groei kan bevorderen. Voorlopig wordt dus het toevoegen van vitamine C naast volledige voeding aan jongen honden in de groei afgeraden.
Ik hoop met bovenstaande uw interesse te hebben gewekt voor een verantwoorde voeding van de hond. In volgende afleveringen komen eiwitten, vetten, mineralen, vitaminen en overige relevante zaken nog uitgebreid aan bod.
©Dierenarts B.J. Carrière, Dierenkliniek Ermelo, Sterkliniek dierenartsen. 20-03-2006
www.dierenkliniek-ermelo.nl
dierenkliniekermelo
Naschrift van de Redactie:
Het ligt in de bedoeling om in de komende edities van de Playdog een aantal aspecten van de Voeding aan bod te laten komen en de visies van verschillende personen te publiceren. Niemand heeft de wijsheid in pacht en het publiceren van een bepaald artikel wil niet zeggen, dat de Redactie van mening is, dat dit het enig juiste is. Juist op het gebied van Voeding reageren honden (en katten en mensen) heel verschillend en de Voeding die voor de ene hond ideaal is kan voor een andere verkeerd uitpakken.

MDR - MULTI-DRUG RESISTENCE
Het MDR1-defect is een erfelijke aandoening waardoor een hond overgevoelig kan reageren op bepaalde geneesmiddelen. Het MDR-defect komt met name voor bij Collie-achtigen zoals de Border Collie, de Schotse Collie, de Sheltie, de Bearded Collie, de Bobtail en kruisingen met Collie-achtigen, maar is ook gevonden bij Duitse Herders en Witte Herders.
Wat is Multi-Drug Resistance?
In 1983 werd het MDR1-defect voor het eerst gesignaleerd: Collies bleken overgevoelig te kunnen zijn voor bepaalde geneesmiddelen. Ivermectine, een middel tegen wormen en andere parasieten, veroorzaakt bij sommige Collies al bij een hele kleine dosis vergiftigingsverschijnselen in de hersenen en het zenuwstelsel. De dieren gaan overmatig speekselen, braken, krijgen epilepsie-achtige aanvallen, spijsverterings- en ademhalingsstoornissen, kunnen in coma raken en zelfs overlijden.
Normaal gesproken worden de hersenen en het centrale zenuwstelsel beschermd tegen giftige stoffen die in het bloed zitten. Bij honden die het MDR1-defect hebben is gebleken dat dit mechanisme niet goed of helemaal niet werkt. Inmiddels weten we dat de overgevoeligheid niet alleen over Ivermectine gaat. Honden die aan deze afwijking lijden, zijn overgevoelig voor een hele reeks van geneesmiddelen.
Op dit moment zijn er tenminste 20 geneesmiddelen bekend waarvan bewezen is dat ze schadelijk kunnen zijn voor honden met het MDR1-defect. Het gaat daarbij om alledaagse geneesmiddelen, waarmee alle honden wel eens te maken kunnen krijgen. Sommige verdovingsmiddelen bijvoorbeeld, maar ook antibiotica en pijnstillers.
Hoe weet u of uw hond MDR heeft?
In het dagelijkse leven merk je er niets van als de hond MDR heeft. Het gaat pas mis als de hond om wat voor reden dan ook de betreffende medicijnen krijgt. Dan kan het middel erger blijken dan de kwaal. Als de dierenarts weet dat uw hond MDR heeft, kan hij geneesmiddelen gebruiken die voor de hond niet gevaarlijk zijn.
Daarnaast is er natuurlijk het risico dat de hond in een onbewaakt ogenblik van de verkeerde "lekkernijen" snoept (zoals paardenmest waarin nog de resten van wormbestrijdingsmiddelen kunnen zitten) en daardoor de ziekteverschijnselen van MDR krijgt. De eigenaar zal daar aandacht voor moeten blijven hebben.
U kunt uw hond laten testen op MDR. In Nederland en een aantal andere Europese landen wordt de test georganiseerd en gecoördineerd door Genetic Counselling Services (GCS). Op de website van GCS (www.gencouns.nl) onder het kopje DNA-onderzoek kunt u meer informatie over deze aandoening vinden. Hier kunt u ook lezen hoe u een test kunt aanvragen, en wat de kosten daarvoor zijn.
De test kan drie verschillende uitslagen opleveren:
1 De hond is "vrij", en heeft geen MDR1-defect.
2 De hond is "drager", en heeft van één van de beide ouders de defecte erfelijke aanleg "meegekregen". Dragers zijn minder kwetsbaar dan lijders, maar kunnen ook vergiftigingsverschijnselen krijgen bij hoge doseringen van een aantal geneesmiddelen.
3 De hond is "lijder", en heeft van beide ouders het defecte MDR1-gen geërfd. Dit zijn de dieren die de overgevoeligheidsreacties in hevige mate vertonen en de grootste risico's lopen.
Als uit de test blijkt dat de hond drager of lijder is, is het belangrijk dat de dierenarts dat weet. Op de website van GCS staat een link naar de Universiteit van Washington, waar een regelmatig bijgewerkte lijst te vinden is met geneesmiddelen die gevaarlijk kunnen zijn voor honden met het MDR-defect. Het onderzoek hiernaar is nog volop in beweging, en er worden nog steeds "nieuwe" geneesmiddelen gevonden die schadelijk kunnen zijn voor lijders en dragers.
En tenslotte is het natuurlijk belangrijk dat de fokker van de hond geïnformeerd wordt. Hij of zij zal er bij toekomstige nesten rekening mee willen houden!
Voor meer informatie:
Genetic Counseling Services
Website: www.gencouns.nl

E-mail: info@gencouns.nl
Telefoon: 0252-532 284
Knieproblemen
Knieproblemen komen zeer regelmatig voor, ofwel door het gevolg van een aangeboren afwijking ofwel door het gevolg van een blessure. Knieblessures zijn zeer bekend bij allerlei wintersporten en bij vele veldsporten. Het zogenaamde “voetbalknietje” is hier een bekend voorbeeld van.
Het is van groot belang dat een blessure op tijd wordt herkend zodat tijdig een behandeling ingezet kan worden. Een behandeling kan bestaan uit rust, fysiotherapie, medicijnen, chirurgie of een combinatie van beide. Indien een behandeling te laat wordt ingezet is de kans groot dat het gewricht al reageert met artrosevorming en op den duur zal het gewricht verstijven en pijnlijk worden bij beweging.
De knie zit zeer slim in elkaar maar wel complex. Enkele belangrijke structuren zijn de kniebanden, de kruisbanden, de kniepees, de knieschijf, de menisci en natuurlijk de gewrichtsoppervlakken van het dijbeen en het scheenbeen die het uiteindelijke kniegewricht vormen.
De patellaluxatie (te losse knieschijf) is meestal een aangeboren afwijking (Flatcoated Retriever, Bulldog, kleine Terriërs) en in zeldzame gevallen het gevolg van een trauma. Zodra de speling te groot is zal het gewricht gaan beschadigen en daarom is snel ingrijpen gewenst.
Door een instabiele knieschijf (patellaluxatie) is het kraakbeen van de gewrichtsknobbel ernstig aangetast
De hond zal af en toe even hinkelen en een pasje overslaan. Vooral bij de Jack Russel Terriër is dit heel vaak waar te nemen. Bij tijdige chirurgische correctie is de prognose goed.
Het “voetbalknietje” betreft meestal een verscheuring van de voorste kruisband die in veel gevallen gepaard gaat met een beschadiging van de binnenmeniscus. Dit ontstaat meestal tijdens het spelen of rennen en is op dat moment behoorlijk pijnlijk.

Zeker de eerste dagen zal de hond mank lopen en de voet naar buiten plaatsen. De beschadigde structuren zullen een heftige reactie oproepen aan het gewricht. Ontstekingsremmers en strikte rust zijn dan ook gewenst tenzij bij onderzoek al uitgebreide schade is ontdekt. Indien rust en medicatie onvoldoende verbetering brengen dan is chirurgie dringend gewenst.
Er zijn vele chirurgische behandelingsmethoden mogelijk, de chirurg dient in ieder individueel geval te beslissen wat voor deze patiënt de beste behandeling is.
De foto toont een pas kortgeleden totaal afgeschreurde voorste kruisband
Het niet chirurgisch herstellen van een voorste kruisbandscheur leidt op den duur tot ernstige gewrichtsschade zoals artrose en bloemkoolachtige woekeringen
Dieren die chronisch last van hun knie hebben zijn in sommige gevallen gebaat bij chirurgie. De meesten van hen zijn echter chirurgisch niet meer te helpen en moeten dan door een individuele begeleiding weer zo mobiel mogelijk worden.
Door een chronische blessure is de knieschijfgroeve ernstig beschadigd
Vele rassen hebben een verhoogd risico, met name de rassen die rechte (steile) knieën hebben (Labrador, Berner Sennenhond, Boxer, Rottweiler, Chow Chow, Keeshonden) en een “lomp” lijf of kleine stevige hondjes met enigszins kromme achterpootjes (Cairn Terriër).
B.J. Carrière, dierenarts Dierenkliniek Ermelo
Tel: 0341-553325
www.dierenkliniek-ermelo.nl

COPROFAGIE Het eten van (eigen) ontlasting.
Honden worden aangetrokken door de lucht van hun ontlasting en zullen af en toe de ontlasting opeten.
Als deze nare gewoonte eenmaal is ontstaan wordt het moeilijk om dit gedrag af te leren.
Enkele bevorderende factoren zijn:
* Atavisme, sommige rassen zijn gepredisponeerd, dat wil zeggen dat sommige rassen door hun genetisch afkomst het ongewenste gedrag makkelijker ontwikkelen. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Beauceron, jachthonden en poolhonden in het algemeen. Het eten van ontlasting van de pups door de teef is natuurlijk wel als normaal gedrag te beschouwen.
* Verveling, door gebrek aan afleiding of een te kleine leefruimte wordt het eten van ontlasting een bezigheid. In een kennel wordt dit gedrag dan al snel gekopieerd door andere honden.
* Gebrek aan hygiëne, de aanwezigheid van veel uitwerpselen in de kennel lokt als het ware het gedrag uit.
* Onverteerde stoffen in de uitwerpselen, een onvoldoende verteerbaar voer, overvoeding, of een tekort aan verteringsenzymen kan aanleiding geven tot de overmatige ontwikkeling van bacteriën in de dikke darm. Onverteerd eiwit of zetmeel kan dan worden uitgescheiden wat dan nog aantrekkelijk ruikt voor de honden.
Uit het voorgaande volgt dat er een aantal zaken zijn die we bij het voeren van de honden goed in de gaten moeten houden om het eten van uitwerpselen te voorkomen:
* Kies een hoog verteerbaar voer en voorkom overvoeding, te grote maaltijden ineens verstoren de vertering en veroorzaken bacteriegroei in de dikke darm, vooral pups zijn gevoelig.
* Beter 2 of 3 kleine maaltijden dan 1 grote.
* aarzel niet om een hoog energetisch voer te geven als het gedrag blijft bestaan. Verminder de hoeveelheid voer t.o.v. de geadviseerde hoeveelheid als de hond niet actief is.
Vooral granen en plantaardige vezels in overmaat kunnen aanleiding geven tot een slechte vertering.
Poolhonden (de Siberische Husky met name) die een tekort aan het enzym amylase hebben zijn hier gevoelig voor.
Als de verteringsproblemen berusten op problemen met de eiwitvertering dan is een hoog vet- hoog eiwit dieet geen goed advies, de verteringsproblemen moeten dan eerst opgelost worden.
* Isoleer de honden die uitwerpselen eten van de andere honden zodat het gedrag niet gekopieerd kan worden.
* Probeer een huishond afleiding te geven, laat hem uit, en geef hem dingen om op te kauwen of om mee te spelen.
* Als het slechts om 1 hond gaat, dan is het zinvol om de verteringscapaciteit te laten onderzoeken middels functietesten (TLI, B12-test en foliumzuur) om het probleem nader te definiëren.
* In de praktijk blijkt dat het geven van biergist het eten van uitwerpselen kan voorkomen, misschien dat de gisten de reuk veranderen van de uitwerpselen.
Als niets meer helpt dan is het het overwegen waard om de uitwerpselen b.v. met peper te bestrooien zodat het eten een onaangename ervaring wordt.
Concluderend mogen we stellen dat het eten van uitwerpselen voor de eigenaar een onaangename en ongewenste vorm van gedrag is maar dat het voor de hond in feite geen gevaar kan.
B.J. Carriere
Dierenkliniek Ermelo
Te. 0341-553325
www.dierenkliniek-ermelo.nl
Naschrift van de Redactie:
Er zijn honden die in dit geval goed reageren op ananas. Een halve schijf ananas per dag door het eten schijnt bij sommige honden goed te werken. Het is altijd te proberen en wanneer het niet helpt kunt u de ananas altijd nog zelf opeten.

EPILEPSIE, WAT IS DAT EIGENLIJK?
Iedereen die zich met honden bezig houdt, komt deze vraag vroeg of later een keer tegen. Een hond die achter schaduwen aan jaagt, een hond die op het trainingsveld plotseling omvalt en allerlei stuipen vertoont; de meesten van ons hebben dit wel eens gezien of er over gehoord. Een hond die zo'n 'toeval' krijgt ziet er angstaanjagend uit en de eigenaar en eventuele omstanders raken vaak in paniek.
Wat zijn de beperkingen voor zo'n hond, valt er met zo'n hond nu nog te trainen? Om op dit soort vragen een antwoord te geven zal ik eerst iets vertellen over wat epilepsie is.
De definitie van epilepsie luidt: "het bij herhaling aanvalsgewijs optreden van elektrische ontladingen in groepen hersencellen, resulterend in en gepaard gaan met abnormaal gedrag (toevallen)." Dit kan het best vertaald worden in het zomaar ontstaan van bepaalde prikkelingen in de hersenen. De hond kan dit niet voorkomen en zijn gedrag wordt er door beïnvloed.Het is ook niet te voorspellen waar de prikkeling zich bevindt, daarom kunnen de symptomen per hond totaal verschillend zijn.
Het is belangrijk om een toeval als zodanig te herkennen, daarom zal ik nu enkele verschijningsvormen kort bespreken. De meest duidelijke vorm noemt men Grand Mal en bestaat uit drie stadia : Aura, Ictus en Postictus. Aura is het beginstadium. De hond wordt rusteloos , lusteloos, kijkt “vreemd' uit de ogen en verricht doelloze, onnatuurlijke handelingen, bijv. door de deur naar buiten willen lopen terwijl deze dicht is. De lengte van de Aura kan variëren van enkele seconden tot dagen. elke hond vertoont andere symptomen in de Aura die specifiek zijn voor die hond. De eigenaar van de hond leert dit stadium na enige tijd herkennen. de Aura eindigt met plotseling bewustziijnsverlies.
Met dit bewustzijnsverlies begint de tweede periode, de Ictus. de hond valt op zijn zij en krijgt allerlei krampen. Alle spieren kunnen in deze periode meedoen. deze kramptoestand kan plotseling overgaan in het snel samen trekken van de spieren, clonische krampen. Nu gaat de hond ook erg speekselen en laat zijn urine lopen. De pupillen van de hond zijn zeer vergroot en reageren niet meer op licht. Deze fase duurt zelden langer dan enkele minuten. Het einde van deze fase is in zicht als de hond zich gaat ontspannen, de krampen verdwijnen.
De derde fase is de Postictale periode. De hond herstelt zich, zijn spieren ontspannen, hij heeft een snelle ademhaling en komt weer bij bewustzijn. Dit is in principe de gevaarlijkste periode voor de eigenaar. De hond is nog duidelijk in de war, herkent zijn eigenaar vaak niet en ziet nog erg slecht. In deze fase worden eigenaren nogal eens gebeten doordat ze uit liefde voor de hond deze willen aanraken en geruststellen.
De hond weet niet wat er aan de hand is en voelt zich snel bedreigd. Het beste is om de hond met rust te laten en hem de tijd te gunnen om volledig bij te komen. Deze fase kan wisselen van enkele seconden tot uren.
Een tweede vorm van epilepsie is de Petit Mal, deze is bij honden echter nog nooit aangetoond. Iets wat wel voor kan komen bij honden is de Lobus Temporalis epilepsie. Hierbij treden alleen gedragsafwijkingen op. De hond denkt iets te zien of te horen wat er niet is (een soort hallucinatie). Dit kan ook zo weer over zijn. Ook hier is het weer het beste de hond met rust te laten, deze is namelijk NIET aanspreekbaar in deze periode.
In het ergste geval treedt er een Status Epilepticus op. Dit is een opeenvolging van toevallen zonder dat de Postictale herstelfase intreedt. Dit is een levensbedreigende situatie waarbij de dierenarts zo snel mogelijk gewaarschuwd moet worden.
Er zijn tal van oorzaken die voor een epileptiforme aanval kunnen zorgen. Deze aanvallen lijken op de 'echte' epilepsie maar zijn het gevolg van bijv. rabiës, nierafwijkingen, leverafwijkingen en tumoren in de hersenen. Dit noemt men secundaire epilepsie, er is namelijk een duidelijke oorzaak voor te vinden. Indien uit onderzoek van de hond blijkt dat er geen aanwijsbare oorzaak is, dan praat men over primaire epilepsie. Een dierenarts heeft bepaalde criteria om tot de conclusie primaire epilepsie te komen :
- de leeftijd van de hond bij de eerste toeval ligt tussen de 1 en 3 jaar
- de verschijningsvorm is van het hierboven beschreven type Grand Mal
- de verschijningsvorm is constant, de hond vertoont elke keer dezelfde symptomen
- het tijdstip van optreden is niet gecorreleerd met voedselopname en/of lichamelijke inspanning
- tussen de toevallen door is de hond normaal
- er zijn geen afwijkingen te vinden bij lichamelijk onderzoek
Als de dierenarts zeker weet dat de hond primaire epilepsie heeft, kan hij een behandeling instellen welke bestaat uit het geven van medicijnen. Deze medicijnen kunnen pas gegeven worden wanneer de toevallen met een zekere regelmaat voorkomen, bijv. 2 < 3 keer per week. Deze medicijnen heeft de hond voor de rest van zijn leven nodig. Een voorbeeld is dagelijks een dosis Luminal (=phenobarbital).
Wat zij nu de consequenties van epilepsie o het functioneren van de hond? Om hier een antwoord op te vinden moet een dierenarts uit zien te vinden op welke momenten de hond een toeval krijgt. Uit onderzoek aan de Faculteit Diergeneeskunde is gebleken dat het tijdstip van een toeval veel informatie geeft over de aard hiervan. Krijgt een hond namelijk een toeval tijdens of direct na de training, dan kun je er vanuit gaan dat stress medeveroorzaker van de toeval is.
In dat geval is het natuurlijk van belang dat de hond zo weinig mogelijk druk , en dus stress, te verwerken krijgt. Er mag dus niet meer gewerkt worden met de hond, daar dit altijd met een bepaalde mate van stress gepaard gaat.
In vele andere gevallen ontstaat een toeval tijdens de slaap. Honden die op zulke momenten een toeval krijgen mogen wel trainen, sterker nog: ze hebben zo'n training juist nodig. Vooral honden die gewend zijn te werken en die het ook leuk vinden om te werken moet het werken niet worden ontzegd. Deze verandering - het niet meer trainen- zou zelfs een negatieve invloed kunnen hebben op het ontstaan van een toeval.
Veel hangt dus af van de mate en de vorm van de epilepsie die de hond heeft. Meestal zijn de vooruitzichten van zo'n hond redelijk goed. Met behulp van medicijnen kunnen ze zelfs nog vrij oud worden. Het is dus absoluut niet waar dat een hond is 'afgeschreven' als blijkt dat hij epilepsie heeft. Het enige waar je altijd voorzichtig mee zult moeten zijn is het laten zwemmen van de hond. Niemand kan je garanderen dat de hond geen toeval krijgt tijdens het zwemmen, met alle gevolgen van dien.
Iets anders waar men voor op moet passen is de situatie waarin nog een andere hond in huis is. Als de hond met epilepsie een toeval krijgt kan het gebeuren dat de andere hond deze aanvalt. Dit wordt veroorzaakt doordat de hond met epilepsie abnormaal gedrag vertoont wat niet herkend wordt door de andere hond. Ook in situaties waar de hond met epilepsie normaliter 'de baas' is zal de andere hond zijn kans schoon zien als 'de baas' een toeval krijgt. De hond die een toeval krijgt kan zich op dat moment niet verdedigen. Je kunt daarom de honden in een dergelijke situatie nooit zonder toezicht bij elkaar laten.
Al met al kan geconcludeerd worden dat er goed te leven valt met een hond met epilepsie. Mits de eigenaar in bepaalde situaties voorzichtig is met de hond kan er veelal nog gewoon getraind worden en zal de hond nog lang en gelukkig leven.
B.J. Carriere
Dierenkliniek Ermelo
Tel. 0341 - 553325

WAGENZIEKTE
Inleiding
Een van de leukste momenten in het leven is het ophalen van een nieuwe pup. De spanning die aan dit moment vooraf gaat en de blijdschap als dat nieuwe ukkie eindelijk in de armen meegenomen kan worden, zijn onvergetelijk. Alleen voor de pup zelf kan de eerste rit naar het nieuwe huis ook onvergetelijk worden, maar dan in negatieve zin. Het gebeurt maar al te vaak dat dit de eerste keer is dat de pup een autorit maakt. Dit kan dan vergezeld gaan van misselijkheid en braken. De combinatie van angst en de bewegingen van de auto spelen hierbij een grote rol. Aldus is het verloop van die eerste autorit voor veel pups een en al ellende. Bij de meeste pups blijft dit bij die ene keer, maar voor sommige is dit het begin van nog meer autoproblemen.
Een aantal honden blijft bij elke rit met de auto last houden van misselijkheid en braken, en sommige gaan zelfs zo ver dat ze ook plassen of poepen tijdens een autorit. In dit laatste geval hebben we te maken met honden die buitengewoon angstig zijn voor auto’s en het rijden daarin, gelukkig komt deze vorm maar zelden voor. Veel vaker komt de >“gewone” wagenziekte voor, waarbij de hond tijdens elke autorit braakt.
De oorzaak van deze misselijkheid ligt op twee vlakken. Aan de ene kant raakt het evenwichtsorgaan van de hond in de war, vergelijkbaar met zeeziekte bij mensen, door de bewegingen en trillingen van de rijdende auto en aan de andere kant speelt opwinding en angst een rol. Beide factoren hebben samen of apart zoveel invloed op de hond dat deze gaat braken. Dit braken en het misselijke gevoel dat honden hebben kan uiteindelijk ook een gewoonte gaan worden, waarna de honden zelfs in een stilstaande auto of in de buurt van een auto angstig kunnen worden en gaan braken.
Voorkomen is beter dan genezen
Het beste is natuurlijk om te voorkomen dat een pup de autorit naar huis als angstig ervaart. Hier ligt een taak voor de fokker. Deze kan de pups terwijl ze nog in het nest zijn al een of twee keer meenemen op een klein ritje. Met z’n allen maken ze vaak meer pret zodat er niet eens tijd is om na te denken of die rit eigenlijk wel zo angstig is. Als de moederhond dan ook nog meegaat is het natuurlijk helemaal goed.
Nu heeft natuurlijk niet elke fokker de tijd of de gelegenheid om dit te bewerkstelligen. Indien dit het geval is moeten de omstandigheden van de eerste rit zo optimaal mogelijk gemaakt worden. Ten eerste mag de pup een aantal uren van te voren niet gegeten hebben. Het beste is het de pup de laatste 5 uur geen eten te geven. Verder moet iemand als chauffeur optreden, terwijl een ander zich met de pup bezig kan houden.
Het verdient de voorkeur de pup op de grond naast of tussen de voeten te plaatsten, zodat deze in ieder geval niet verward wordt door het voorbijschietende landschap.
Onderweg kan de pup worden afgeleid met een bal of een ander speeltje. Zo kunnen speelbeesten met piepertjes erin worden gebruikt, want behalve visueel worden de pups dan tevens door geluid afgeleid. Het is aan te bevelen toch voor de zekerheid bijvoorbeeld een krant mee te nemen, dat ruimt wat gemakkelijker mocht er toch nog gebraakt worden. Heeft de pup tijdens deze eerste rit inderdaad toch gebraakt ondanks al deze maatregelen, dan moet de volgende autorit wat korter zijn met een zeer positief eindpunt, bijvoorbeeld een wandeling met andere honden. Blijkt de pup ook daarna nog ernstig onder de indruk te zijn van de autorit en angstig te reageren dan zal het langzamer opgebouwd moeten worden.
“Auto-training”
Het eerst zal de hond gewend moeten worden gemaakt aan het feit dat de auto op zich niet eng is. De auto wordt dus bijvoorbeeld zodanig bij het huis geparkeerd dat gemakkelijk rondom de auto kan worden gespeeld met de hond. Verder wordt het eten vlak bij de auto gegeven. Als dit goed gaat kun je dit nogmaals doen maar nu met een stationair lopende auto. Gaat ook dit naar wens dan wordt er gespeeld en eten gegeven in de auto, eerst weer zonder en later met stationair draaiende motor. Pas als dit zonder problemen verloopt, kan het eerste ritje worden gemaakt. De hond dient daarbij het liefst ongeveer 6 uur voor vertrek geen eten meer te krijgen. Iemand rijdt de auto terwijl een ander de hond afleidt met allerlei spelletjes. De eerste rit moet niet langer worden gemaakt dan een paar honderd meter. De afstand moet dusdanig zijn dat de hond net niet angstig wordt. Bij terugkomst moet er een beloning wachten, een zeer speciaal spelletje of een erg lekker tussendoortje, in ieder geval iets wat de hond erg leuk of lekker vindt. Langzamerhand kunnen daarna de afstand en de snelheid van de rit worden vergroot, er altijd voor zorgend dat de hond net niet angstig en daarmee misselijk wordt. Dit laatste is erg belangrijk, zou er namelijk onverwacht toch weer iets naars gebeuren, dan moet weer worden teruggegaan naar het punt waar het nog net goed ging. Het is overigens verstandig om bij deze training de hulp van een deskundige in te roepen, bijvoorbeeld een gedragstherapeut.
Medicijnen en andere technische oplossingen
Eventueel kunnen anti-wagenziektetabletten, verkrijgbaar via de dierenarts, helpen braken te voorkomen. Maar bij dit soort honden zal desondanks de hierboven beschreven manier van training gevolgd moeten worden. Bij honden met een hevige angst kunnen medicijnen gegeven worden die de angst wat onderdrukken. Dit laatste moet altijd onder begeleiding van een dierenarts gebeuren.
Ook is het mogelijk dat een hond alleen in een bepaalde auto misselijk wordt. Zo was er een hond die altijd braakte in de auto van de eigenaresse en nooit in de auto van de buurvrouw.
Na geruime tijd bleek de oorzaak te liggen in het feit dat de auto van de eigenaresse een bepaalde trilling teweeg bracht die werd veroorzaakt door een mankement aan de wielophanging van de auto. Nadat dit euvel verholpen was, hield ook het braken van de hond op.
Schijn kan bedriegen
Als laatste bestaan er ook honden die braken en/of plassen en poepen in de auto als vorm van >“aandachttrekkerij”. In dergelijke gevallen kan een strenge straf op het moment dat de hond dit doet erg helpen. Als voorbeeld een hond die altijd ging poepen in de auto als de eigenaar daar alleen in reed. Er was al van alles geprobeerd om dit te voorkomen, de hond goed uitlaten van te voren, (boos) tegen hem praten, niets hielp. Totdat de eigenaar het op een gegeven moment zo zat was dat, toen hij door zijn achteruitkijkspiegel de hond een poephouding zag aannemen, hij plotsklaps op zijn rem ging staan en de hond daardoor tegen het hondenrek gelanceerd werd. De hond heeft het hierna nooit meer gedaan. Het is echter vaak bijzonder moeilijk om er achter te komen of dit het geval is of dat honden die dit gedrag vertonen daadwerkelijk wagenziek zijn. In veel gevallen moet er dan toch een (gedrags-)deskundige aan te pas komen om dit te diagnostiseren. Een strenge straf mag echter alleen worden toegepast als men er zeker van is dat angst geen rol speelt, anders bestaat de kans dat het juist erger wordt.
Voorlopig is voorkomen dus beter en eenvoudiger dan genezen. Maar wanhoop niet als de hond toch last blijkt te hebben van wagenziekte. Met veel geduld is er gelukkig wel wat aan te doen.
B.J. Carriere
Dierenkliniek Ermelo
Tel. 0341-553325

TRAMMELANT MET DE FEESTDAGEN
Al snel staan de feestdagen weer voor de deur maar om dierenleed te voorkomen tijdens deze dagen hebben wij nog enkele tips voor U.
Giftige zaken
Chocolade
Gedurende Sinterklaas en de Kerstdagen is er volop chocolade snoepgoed aanwezig. Honden die graag wat stelen of die gewo